Kostgeld bereken je door de gedeelde huishoudkosten per maand op te tellen en het deel van je kind te bepalen: per persoon, naar inkomen of naar gebruik, de drie manieren die het Nibud noemt (2026). Een standaardbedrag bestaat niet; in het rekenvoorbeeld van het Nibud verdient het kind € 700 van € 2.800 netto huishoudinkomen, 25%, en betaalt het van een netto hypotheek van € 500 dus € 125 per maand aan wonen. Kostgeld betalen is gewoon: 40% van de thuiswonende 18- tot en met 30-jarigen doet het, 23% met een vast bedrag per maand en 17% met een wisselend bedrag, blijkt uit onderzoek van RaboResearch (april 2025). Hieronder lees je hoe je het bedrag voor jullie huishouden uitrekent, met een rekenvoorbeeld waarin de drie manieren naast elkaar staan, en waar je op let bij de Belastingdienst, de huurtoeslag en de bijstand.
Kort antwoord: hoe bereken je kostgeld?
- De methode: zet de gedeelde kosten op een rij, reken ze om naar een maandbedrag en verdeel per persoon (je kind meegeteld), naar inkomen of naar gebruik (Nibud, 2026).
- Het bedrag: “Er is geen standaard kostgeldbedrag” (Nibud, 2026). In het Nibud-rekenvoorbeeld betaalt een kind dat 25% van het huishoudinkomen verdient € 125 per maand aan wonen.
- Hoe vaak: 40% van de thuiswonende 18- tot en met 30-jarigen betaalt kostgeld (RaboResearch, 2025).
- Belasting: is de kostganger een familielid, dan gaat de Belastingdienst er meestal niet van uit dat er winst op het kostgeld wordt gemaakt (Nibud, 2026).
- Huurtoeslag: het inkomen van je thuiswonende kind telt mee; voor een kind jonger dan 23 telt in 2026 € 6.218 niet mee (Belastingdienst).
Zoek je wat je een kind onder de 18 geeft? Dat staat in de gids over zakgeld en kleedgeld per leeftijd.
Het belangrijkste
- Wonen mag je doorberekenen, ook als je huur of hypotheek niet stijgt; voor een gemeubileerde kamer noemt het Nibud € 24 per maand (2026).
- Energie volgens het Nibud: woonde het huishouden al met meer mensen, dan is 1/10 van de oorspronkelijke rekening een goede schatting voor het deel van je kind.
- Tot 21 jaar zijn ouders financieel verantwoordelijk voor levensonderhoud en studie van hun kind (Rijksoverheid; artikel 1:395a BW).
- Bijstand: pas een huisgenoot van 27 jaar of ouder verlaagt je uitkering via de kostendelersnorm (Rijksoverheid, 2026).
Wat is kostgeld?
Kostgeld is een vergoeding die een inwonend kind of een andere huisgenoot met een eigen inkomen betaalt voor de gezamenlijke uitgaven van het huishouden, zoals huur, hypotheek en energie. Individuele uitgaven, zoals kleding, studie of uitgaan, betaalt de kostganger zelf (Nibud, Kostgeld: wat is redelijk?, 2026). Het Nibud noemt degene die betaalt de kostganger en wie het ontvangt de kostgever. Andere woorden die je tegenkomt, zijn kost en inwoning, of een bijdrage in de woonkosten.
Het Nibud vindt het redelijk om kostgeld te vragen als je kind of iemand anders met een eigen inkomen bij je woont: “Dan is het redelijk om kostgeld te vragen als bijdrage in de woonlasten.” Een kind dat zelf verdient, leert daarmee ook dat wonen geld kost (Nibud, Kostgeld, 2026).
Wie betaalt kostgeld?
RaboResearch vroeg 1.602 Nederlanders van 18 tot en met 30 jaar naar hun woonsituatie en hun geld, van half november 2023 tot begin januari 2024; 631 van hen, 39%, woonden bij hun ouders, schoonouders, grootouders of verzorgers. Van die thuiswoners betaalt 60% niet mee aan de huishoudelijke uitgaven (RaboResearch, april 2025).
| Groep thuiswoners | Betaalt kostgeld | Wat het cijfer zegt |
|---|---|---|
| Alle 18- tot en met 30-jarigen | 40% | 23% een vast bedrag per maand, 17% een wisselend bedrag |
| 25 tot en met 30 jaar | 65% | Ruw cijfer |
| 18 tot en met 24 jaar | 34% | Ruw cijfer; bij vergelijkbare thuiswoners betalen ouderen nog 1,4 keer zo vaak |
| Kinderen van huurders | 1,9 keer zo vaak als kinderen van huiseigenaren | Na correctie voor andere kenmerken |
| Mannen en hogere inkomens | Vaker | Dan vrouwen en lagere inkomens |
| Voltijdstudenten | Iets minder vaak | Het verschil is niet statistisch significant |
Bron: RaboResearch, Kostgeld betalen niet ongewoon onder thuiswonende jongvolwassenen (18 april 2025). Het Nibud noemt dezelfde 40% op zijn kostgeldpagina.
Wie kostgeld betaalt, heeft volgens RaboResearch vaker financiële stress, heeft minder vaak meer dan € 2.500 spaargeld en heeft vaker een studieschuld. De onderzoekers schrijven er zelf bij: “Deze resultaten laten correlaties zien, geen causale verbanden.” Of kostgeld jongeren armer maakt, valt er dus niet uit af te leiden. RaboResearch had daarbij geen gegevens over de financiën van de ouders, behalve of ze een eigen huis hebben.
Kostgeld, zakgeld of kleedgeld?
Kostgeld gaat van je kind naar jou, zakgeld en kleedgeld gaan van jou naar je kind. Rond de 18 lopen ze vaak door elkaar: een scholier met een bijbaan krijgt soms nog kleedgeld en betaalt al een bijdrage in huis. Hoeveel zakgeld en kleedgeld bij welke leeftijd past, lees je in de gids over zakgeld en kleedgeld per leeftijd.
Kostgeld in vier getallen
Bronnen: RaboResearch, april 2025, Nibud, Kostgeld: wat is redelijk? (2026), Belastingdienst, huurtoeslag en thuiswonende kinderen, Rijksoverheid, onderhoudsplicht
Hoeveel kostgeld is normaal?
Een normaal bedrag bestaat niet: “Er is geen standaard kostgeldbedrag. Elke situatie is namelijk verschillend,” schrijft het Nibud (2026). Het Nibud raadt aan het bedrag samen vast te stellen “door alle uitgavenposten door te lopen en te bespreken” (Nibud, Kostgeld). Ook RaboResearch, dat onderzocht hoeveel jongvolwassenen kostgeld betalen, schrijft: “We hebben niet gevraagd naar de hoogte van het kostgeld.” Een gemiddeld kostgeldbedrag dat je online tegenkomt, is dus een schatting en geen meting.
Wil je toch een bedrag in euro's met een bron erbij, kijk dan naar het rekenvoorbeeld van het Nibud: € 125 per maand aan wonen voor een kind dat een kwart van het huishoudinkomen verdient. Verderop staat dat voorbeeld uitgebreid met energie, water en boodschappen, voor alle drie de manieren van verdelen.
Is 200 euro kostgeld normaal?
Dat hangt af van jullie kosten en van het inkomen van je kind. Leg € 200 naast je eigen berekening. In ons rekenvoorbeeld voor twee ouders en een kind van 19 dat 25% van het huishoudinkomen verdient, komen wonen, energie en water en boodschappen naar inkomen uit op € 341,46 per maand, en per persoon op € 455,28 (eigen optelling, geen richtbedrag). Daar is € 200 aan de lage kant.
Kijk daarna naar wat je kind overhoudt. Een 18-jarige die 20 uur per week werkt tegen het minimumloon van € 7,50 bruto per uur (vanaf 1 juli 2026), verdient zo'n € 650 bruto per maand, zonder vakantiegeld (eigen berekening met het minimumloon van de Rijksoverheid). Dan is € 200 bijna een derde van dat brutoloon. Of dat past, hangt af van wat je kind verder zelf betaalt.
Kosten én draagkracht
Het Nibud kijkt daarom naar twee dingen: “welke kosten je door wil berekenen en naar de draagkracht van de kostganger” (Nibud, 2026). Een gelijke verdeling klinkt eerlijk, maar het Nibud waarschuwt: “Als beiden de helft betalen, kan dit betekenen dat een jongere een groot deel van zijn of haar inkomen moet afdragen als kostgeld” (Nibud, Kostgeld: wat is redelijk?). Verdelen naar inkomen houdt daar vanzelf rekening mee.
Mythe en werkelijkheid over kostgeld
Mythe: er is een gemiddeld kostgeldbedrag waar je je aan kunt houden. Werkelijkheid: het Nibud zegt dat er geen standaard kostgeldbedrag is, en het onderzoek van RaboResearch (2025), de bron van de bekende 40%, vroeg niet naar de hoogte van het kostgeld. Wat je wel kunt meten, zijn je eigen kosten: die staan op je afschrift.
Kostgeld berekenen in 5 stappen
Kostgeld bereken je in vijf stappen: de gedeelde kosten op een rij, alles omrekenen naar een bedrag per maand, kiezen hoe je verdeelt, de kleine posten erbij tellen en de afspraak toetsen en vastleggen. De stappen volgen de kostgeldpagina en het rekenschema van het Nibud (2026). Wij noemen het de kostgeldsom: je begint bij wat het huishouden echt kost, niet bij een bedrag dat goed klinkt.
- Zet de gedeelde kosten op een rij. Het Nibud noemt zeven posten om te bespreken: huur, hypotheek en servicekosten; gas, water en elektriciteit; heffingen van gemeente en waterschap; telefoon, tv en internet; boodschappen; waskosten; en abonnementen (Nibud, 2026). Neem alleen de posten die je kind meegebruikt. Hoe je al je vaste lasten op een rij zet, staat in een aparte gids; voor energie kun je je eigen rekening naast de gemiddelde kosten van gas, water en licht leggen.
- Reken alles om naar een maandbedrag. “Reken alles terug naar maandbedragen,” schrijft het Nibud. Een jaarbedrag, zoals de aanslag van de gemeente, deel je door 12, een kwartaalbedrag door 3. Kijk daarom naar de afschriften van een heel jaar, anders mis je de posten die maar één keer per jaar langskomen.
- Kies hoe je verdeelt. Het Nibud noemt drie manieren: delen door het aantal personen in het huishouden, de kostganger meegeteld; verdelen naar inkomen; of verdelen naar gebruik. Bij verdelen naar inkomen betaalt je kind het deel dat het van het netto huishoudinkomen verdient; hetzelfde principe als wanneer je als stel kosten naar rato van inkomen verdeelt. Bij verdelen naar gebruik betaalt wie het meest gebruikt het grootste deel, of zelfs alles.
- Tel de kleine posten erbij. Voor slijtage aan meubels en stoffering van een gemeubileerde kamer noemt het Nibud € 24 per maand, voor de was € 3,01, voor schoonmaakartikelen € 5,85 en voor persoonlijke verzorging € 11,50 tot € 15,50, als je kind die spullen niet zelf koopt (Nibud, 2026). Verlies je inkomen doordat je kind thuis woont, bijvoorbeeld een lagere huurtoeslag, dan mag je dat verlies volgens het Nibud ook meenemen.
- Toets de draagkracht en leg de afspraak vast. Kijk wat je kind na het kostgeld overhoudt. Spreek af hoe er betaald wordt: “Wordt het maandelijks overmaken? Of contant betalen?” Spreek ook af wat er gebeurt als de kosten stijgen. Het Nibud raadt aan een contract op te stellen dat jullie allebei ondertekenen, en om na enkele maanden te evalueren (Nibud, Afspraken maken).
Het Nibud heeft voor deze som een rekenschema in de PDF Kostgeld: wat is redelijk?, met aparte regels voor inkomen dat je verliest, zoals een lagere huurtoeslag, hogere belasting of gevolgen voor een bijstandsuitkering of AOW.
Rekenvoorbeeld: kostgeld per persoon, naar inkomen of naar gebruik
In het rekenvoorbeeld van het Nibud verdienen de ouders samen € 2.100 netto per maand en het kind € 700: samen € 2.800, waarvan het kind 25% verdient. Van de netto hypotheek van € 500 per maand betaalt het kind naar inkomen dus € 125 (Nibud, 2026). Wij hebben dat voorbeeld uitgebreid met energie, water en boodschappen, voor een verzonnen huishouden van twee ouders en Jan (19), met de bedragen die het Nibud voor 2026 publiceert. Zo zie je de drie manieren van verdelen naast elkaar.
| Post, per maand | Huishouden van 3 | Per persoon (÷ 3, eigen berekening) | Naar inkomen (25%, eigen berekening) | Naar gebruik of Nibud-regel |
|---|---|---|---|---|
| Wonen (netto hypotheek) | € 500,00 | € 166,67 | € 125,00 | Geen vaste regel; zie hieronder |
| Gas, stroom en water | € 223,10 | € 74,37 | € 55,78 | € 20,74 (1/10 van € 207,35) |
| Boodschappen (Nibud-minimum) | € 642,73 | € 214,24 | € 160,68 | € 221,57 (wat Jan zelf eet) |
| Totaal (eigen optelling, geen richtbedrag) | € 1.365,83 | € 455,28 | € 341,46 | - |
Bronnen: Nibud, Kostgeld: wat is redelijk? (2026) voor wonen en de 1/10-regel, Nibud, Kosten van energie en water (gas en stroom per juni 2026, water januari 2026) en Nibud, Huishoudelijke uitgaven (voeding juli 2026). Per persoon, naar inkomen, de 1/10-regel en alle totalen zijn eigen berekening. Wij nemen aan dat beide ouders tussen 14 en 50 jaar zijn, de leeftijdsgroep van het Nibud; zijn ze ouder, dan zijn de voedingsbedragen iets anders.
Per persoon komt Jan uit op € 455,28 per maand, naar inkomen op € 341,46 (eigen optelling, geen richtbedrag). Het verschil zit vooral in de boodschappen en de woonlasten: per persoon betaalt Jan een derde, naar inkomen een kwart. Verdient je kind meer of minder dan een kwart van het huishoudinkomen, dan schuift de laatste kolom mee.
Wonen: ook als de huur niet stijgt
“Meestal heb je geen extra uitgaven aan huur of hypotheek als er nog iemand in huis komt wonen,” schrijft het Nibud. “Toch is het redelijk om een bedrag voor wonen door te berekenen.” Het Nibud noemt vier manieren: een vast bedrag, naar inkomen, naar de grootte van het huishouden, of met het puntenstelsel van de huurprijscheck van de Huurcommissie. Een regel naar gebruik geeft het Nibud voor wonen niet; daarom staat in die kolom geen bedrag.
Energie en water: de 1/10-regel van het Nibud
Volgens het Nibud kost gas bij een gemiddeld verbruik van 1.000 m³ € 139 per maand, stroom voor 3 personen (2.950 kWh) € 58,00 en water voor 3 personen (123 m³) € 26,10 (Nibud, Kosten van energie en water, 2026). Samen is dat € 223,10 per maand (eigen berekening). Per persoon gedeeld is dat € 74,37, naar inkomen € 55,78.
In de kostgeld-PDF geeft het Nibud voor energie een eigen vuistregel. Woonde de kostgever eerst alleen, dan is 1/5 van de energierekening een goede schatting. Bestond het huishouden al uit meer personen, “dan is 1/10 deel van het oorspronkelijke bedrag een goede schatting” (Nibud, 2026). Voor de ouders van Jan is het oorspronkelijke bedrag dat van twee personen: € 139 gas, € 46,50 stroom en € 21,85 water, samen € 207,35. Een tiende daarvan is € 20,74 per maand (eigen berekening). Dat ligt ver onder de € 74,37 per persoon, en het verschil laat zien hoeveel de keuze van de methode uitmaakt.
Boodschappen: per persoon wordt eten goedkoper
Het Nibud rekent voor een man van 14 tot 50 jaar minimaal € 8,57 per dag aan voeding en voor een vrouw van 14 tot 50 jaar € 7,72 (juli 2026). Die bedragen gaan uit van een huishouden van twee; met z'n drieën is eten per persoon 15% goedkoper (Nibud, Huishoudelijke uitgaven). Voor het huishouden van Jan, met twee mannen en een vrouw, is dat € 642,73 per maand, en voor Jan alleen € 221,57 (eigen berekening: dagbedrag × 0,85 × 365 ÷ 12).
In de kostgeld-PDF noemt het Nibud een andere factor: met drie personen 20% goedkoper per persoon dan met twee, en 30% vanaf de vierde persoon. Met die factor komt Jan uit op € 208,54 per maand. Wij gebruiken de factor van de Nibud-site, omdat de dagbedragen daar ook vandaan komen. Extra's zoals frisdrank, zoutjes en tussendoortjes zitten er niet in. Weet je hoeveel jullie huishouden per maand echt aan voeding uitgeeft, dan mag je volgens het Nibud ook dat bedrag gebruiken. Wat huishoudens van elke grootte uitgeven, staat bij boodschappen per maand voor 1 tot 5 personen.
Heffingen van gemeente en waterschap
In sommige gemeenten worden lokale lasten zoals de afvalstoffenheffing hoger als je met meer personen in een huis woont (Nibud, 2026). In de PDF schrijft het Nibud dat de afvalstoffenheffing en de waterzuiveringsheffing voor een meerpersoonshuishouden “vaak driemaal zo hoog” zijn als voor één persoon. In de drie steden hieronder is het verschil bij de afvalstoffenheffing kleiner: drie personen betalen er in 2026 1,3 tot 1,5 keer het tarief van één persoon (eigen berekening).
| Afvalstoffenheffing 2026, per jaar | 1 persoon | 2 personen | 3 personen |
|---|---|---|---|
| Utrecht | € 346,25 | € 443,30 | € 527,80 |
| Rotterdam | € 381,90 | € 457,50 | € 495,30 (3 of meer) |
| Eindhoven | € 229,46 | € 287,07 | € 344,68 |
Bronnen: de verordeningen afvalstoffenheffing 2026 van Utrecht, Rotterdam en Eindhoven. Wordt het huishouden van de ouders van Jan in Utrecht drie in plaats van twee personen, dan kost dat € 84,50 per jaar extra, zo'n € 7,04 per maand (eigen berekening). Vraag de tarieven na bij je eigen gemeente en waterschap; de bedragen van andere steden staan bij de gemeentelijke lasten per stad.
Kleine posten: de vaste Nibud-bedragen
| Post | Nibud-bedrag | Wat erbij hoort |
|---|---|---|
| Gemeubileerde kamer | € 24 per maand | Slijtage aan meubilair en stoffering |
| Was | € 3,01 per maand | Waspoeder en afschrijving van de wasmachine, uitgaand van twee volle wassen van 5 kg per persoon per week; energie en water zitten al in de energiepost |
| Schoonmaakartikelen | € 5,85 per maand | De PDF zegt niet of dit voor het hele huishouden of per persoon is |
| Persoonlijke verzorging | € 11,50 tot € 15,50 per maand | Inclusief toiletpapier, alleen als je kind dit niet zelf koopt |
| Extra huishoudelijk werk voor je kind | Minimaal het minimumuurloon | € 14,99 bruto per uur voor 21+, vanaf 1 juli 2026 |
Bronnen: Nibud, Kostgeld: wat is redelijk? (2026); Rijksoverheid, Bedragen minimumloon 2026. Voor de rest van de posten geeft het Nibud regels zonder bedrag. Een abonnement op een krant of tijdschrift en de contributie van een sportclub reken je niet door, tenzij het abonnement speciaal voor je kind is afgesloten. Vaste telefoon, tv en internet worden met een kostganger meestal niet duurder, en mobiel bellen betaalt je kind zelf. Stijgt de premie van bijvoorbeeld je inboedelverzekering door je kind, dan mag die verhoging meetellen.
Wat kost jullie huishouden echt per maand?
Vraag Martia in het Nederlands, bijvoorbeeld: “Wat betaalden we de afgelopen twaalf maanden gemiddeld per maand aan de hypotheek, energie, water en internet?”, “Hoeveel gaven we de afgelopen drie maanden gemiddeld per maand uit aan boodschappen?” of “Wat betaalden we dit jaar aan de gemeente en het waterschap?” Het antwoord komt uit je eigen transacties, niet uit een landelijk gemiddelde. Zet die bedragen daarna in de eerste kolom van het rekenvoorbeeld hierboven.
Kostgeld op 18, 21 of 23 jaar: wat verandert er?
Een kostgeldbedrag per leeftijd bestaat niet: het Nibud zegt dat er geen standaard kostgeldbedrag is, ook niet voor 18, 21 of 23 jaar (2026). Wat per leeftijd verandert, zijn het inkomen van je kind en de regels voor jou als ouder. Op die momenten is het zinvol om de kostgeldsom opnieuw te maken. Wat er verder verandert als je kind 18 wordt, van zorgverzekering tot zakgeld, staat bij wat er verandert als je kind 18 wordt.
| Leeftijd | Wat verandert | Wat het betekent voor kostgeld | Bron |
|---|---|---|---|
| 18 jaar | Minimumloon € 7,50 bruto per uur (19 jaar € 8,99, 20 jaar € 11,99) vanaf 1 juli 2026; je kind sluit een eigen zorgverzekering af | Meer inkomen, maar ook eigen vaste lasten: kijk wat je kind overhoudt | Rijksoverheid, 2026; Nibud Scholieren |
| 21 jaar | De onderhoudsplicht van ouders voor levensonderhoud en studie eindigt; minimumloon € 14,99 bruto per uur | Een logisch moment om de afspraak opnieuw door te rekenen | Rijksoverheid; artikel 1:395a BW |
| 23 jaar | De vrijstelling van € 6.218 (2026) voor de huurtoeslag vervalt op 1 januari na het jaar waarin je kind 23 wordt | Het hele inkomen van je kind telt mee voor jouw huurtoeslag; een lagere toeslag mag je meenemen in het kostgeld | Belastingdienst, 2026; Nibud, 2026 |
| 27 jaar | Een huisgenoot van 27 of ouder telt mee voor de kostendelersnorm in de bijstand | Heb je bijstand, dan kan je uitkering lager worden; jongeren tot 27 tellen niet mee | Rijksoverheid, 2026 |
Bronnen: Rijksoverheid, Bedragen minimumloon 2026, Nibud Scholieren, Bijna 18, Rijksoverheid, onderhoudsplicht, Burgerlijk Wetboek Boek 1, Belastingdienst, huurtoeslag en thuiswonende kinderen, Rijksoverheid, kostendelersnorm.
Kostgeld voor een 18-jarige
Op 18 jaar is het minimumloon nog laag: € 7,50 bruto per uur vanaf 1 juli 2026. Met 20 uur per week is dat zo'n € 650 bruto per maand, zonder vakantiegeld (eigen berekening). Tegelijk sluit je kind een eigen zorgverzekering af en kan het in aanmerking komen voor zorgtoeslag (Nibud Scholieren). Verdelen naar inkomen houdt het bedrag dan in verhouding.
Kostgeld bij 21 jaar
Tot 21 jaar ben je als ouder financieel verantwoordelijk voor het levensonderhoud en de studie van je kind; in bijzondere gevallen, bijvoorbeeld bij een handicap, langer (Rijksoverheid, 2026). De wet zegt het zo: ouders zijn verplicht te voorzien in de kosten van levensonderhoud en studie van hun meerderjarige kinderen die “de leeftijd van een en twintig jaren niet hebben bereikt” (artikel 1:395a lid 1 BW). Vanaf 21 jaar geldt ook het volledige minimumloon van € 14,99 bruto per uur. Kostgeld vragen kan ook vóór die tijd: het Nibud noemt het redelijk zodra je kind een eigen inkomen heeft.
Kostgeld bij 23 jaar
Rond 23 jaar verandert vooral iets voor ouders met huurtoeslag. Van het inkomen van een thuiswonend kind jonger dan 23 telt in 2026 € 6.218 niet mee. “De vrijstelling geldt nog wel ín het jaar waarin uw kind 23 wordt,” schrijft de Belastingdienst; op 1 januari daarna vervalt ze en telt het hele inkomen mee (Belastingdienst, 2026). Gaat je huurtoeslag daardoor omlaag, dan is dat volgens het Nibud inkomen dat je verliest en mag je het meenemen in het kostgeld.
Kostgeld voor een studerend of werkend kind
Ook bij een studerend of werkend kind begint het Nibud de som bij de kosten én bij wat de kostganger kan dragen (2026). Waar het inkomen van je kind vandaan komt, maakt daarbij uit: studiefinanciering telt anders mee dan loon.
Kostgeld voor een student
Een thuiswonende student in het hbo of wo kan in 2026 maximaal € 130,21 basisbeurs per maand krijgen, en maximaal € 491,08 aan aanvullende beurs. In het mbo is de basisbeurs voor een thuiswonende student maximaal € 107,26 per maand (DUO, bedragen 2026). De onderhoudsplicht van ouders dekt tot 21 jaar ook de studie (Rijksoverheid).
Twee regels pakken voor studenten gunstig uit. Studiefinanciering telt niet mee als inkomen voor jouw huurtoeslag: verdient je kind € 4.000 per jaar en krijgt het € 2.000 studiefinanciering, dan telt er niets mee, omdat het inkomen onder de vrijstelling blijft (Belastingdienst, 2026). En wie een opleiding volgt waarvoor recht op studiefinanciering of een tegemoetkoming studiekosten kan bestaan, telt niet mee voor de kostendelersnorm in de bijstand (Rijksoverheid, 2026).
Kostgeld voor een werkend kind
Bij een werkend kind reken je met het netto-inkomen per maand, net als in het rekenvoorbeeld van het Nibud. Wisselt het inkomen, zoals bij een oproepcontract, spreek dan af of je met een vast bedrag of met een percentage werkt; 17% van de thuiswoners betaalt elke maand een wisselend bedrag (RaboResearch, 2025). Wat je kind na het kostgeld overhoudt, kan het in een maandbudget zetten. Hoeveel jongeren gemiddeld hebben gespaard, staat bij het gemiddeld spaargeld van jongeren.
Kostgeld sparen voor je kind
Zet je het kostgeld opzij om het terug te geven als je kind uit huis gaat, dan is dat geld een gift van ouder aan kind. Ouders mogen hun kind in 2026 in elk geval € 6.908 per jaar belastingvrij schenken; beide ouders samen tellen daarbij als één schenker (Belastingdienst, 2026). Staat het gespaarde kostgeld zolang op jouw spaarrekening, dan is het jouw spaargeld. Of dat gevolgen heeft voor je toeslagen, lees je bij hoeveel spaargeld je mag hebben voor toeslagen.
Moet je kostgeld opgeven bij de Belastingdienst?
Voor kostgeld van je eigen kind meestal niet: is de kostganger een familielid, dan gaat de Belastingdienst er volgens het Nibud meestal niet van uit dat er “winst” op het kostgeld wordt gemaakt (2026). Bij twijfel verwijst het Nibud naar de BelastingTelefoon (Nibud, Kostgeld: wat is redelijk?). Zo ligt het in de meeste gevallen:
- Je eigen kind betaalt kostgeld: de Belastingdienst gaat er bij een familielid meestal niet van uit dat je winst maakt (Nibud, 2026).
- Je verhuurt een kamer en krijgt ook betaald voor maaltijden of schoonmaken: dan heb je volgens de Belastingdienst kostgangers. Je vermeldt het totale bedrag dat je van hen ontvangt, inclusief de huur, en mag de kosten aftrekken (Belastingdienst, Kostgangers).
- Alleen kamerhuur: die hoef je niet aan te geven als je aan de voorwaarden van de kamerverhuurvrijstelling voldoet: het gaat om een deel van je eigen woning, jullie staan allebei op het adres ingeschreven, de verhuur is voor langere tijd en de huur is in 2026 maximaal € 6.633 per jaar, inclusief energie en het gebruik van bijvoorbeeld de wasmachine (Belastingdienst, Kostgangers en kamerverhuurvrijstelling).
- Maaltijden en schoonmaken: “De vergoeding die u ontvangt van uw kostgangers voor bijvoorbeeld schoonmaken of maaltijden moet u wel altijd aangeven” (Belastingdienst).
De pagina Kostgangers van de Belastingdienst zegt niets over familieleden; de regel voor je eigen kind komt uit de kostgeld-PDF van het Nibud. Belangrijker voor de meeste ouders zijn de gevolgen voor de toeslagen. Het Nibud noemt vier situaties waarin het inkomen van je kind gevolgen kan hebben: de huurtoeslag, of je bij de Belastingdienst nog als alleenstaande ouder telt, “winst” op het kostgeld, en een bijstandsuitkering of AOW.
Telt het inkomen van je kind mee voor huurtoeslag of bijstand?
Voor de huurtoeslag wel: het inkomen van een kind dat thuis woont, telt mee, maar voor een kind jonger dan 23 telt in 2026 € 6.218 niet mee (Dienst Toeslagen, 2026). Voor de bijstand telt een huisgenoot pas mee vanaf 27 jaar. Per regeling ziet dat er zo uit:
| Regeling of uitkering van de ouder | Telt je thuiswonende kind mee? | Bron |
|---|---|---|
| Huurtoeslag | Ja: het inkomen telt mee; onder 23 jaar telt € 6.218 niet mee (2026); studiefinanciering telt niet mee | Dienst Toeslagen, 2026 |
| Zorgtoeslag, kindgebonden budget, kinderopvangtoeslag | Nee: sinds 1 januari 2025 is je kind geen toeslagpartner meer; alleen je eigen inkomen en vermogen tellen | Belastingdienst, 2026 |
| Bijstand | Een huisgenoot van 27 of ouder verlaagt de uitkering (kostendelersnorm); zijn inkomen telt niet mee voor het recht op bijstand | Rijksoverheid, 2026 |
| AOW, ongehuwd | Woon je alleen met je eigen kinderen, dan krijg je een ongehuwdenpensioen | SVB, 2026 |
Kostgeld en huurtoeslag
“Het inkomen van een kind dat thuis woont, telt mee voor de huurtoeslag,” schrijft de Belastingdienst, ook als het om een kind van je toeslagpartner of medebewoner gaat. Is je kind jonger dan 23, dan telt een deel niet mee: in 2026 € 6.218, in 2025 € 6.042 en in 2024 € 5.970. Verdient je kind € 12.000, dan telt € 12.000 − € 6.218 = € 5.782 mee. Het gaat om het toetsingsinkomen, niet om het netto-inkomen (Belastingdienst, 2026).
Geef altijd het hele jaarinkomen van je kind door, ook als het onder € 6.218 blijft. De vrijstelling wordt dan automatisch toegepast, ook bij een adoptiekind; bij een stiefkind of pleegkind niet, en dan bel je volgens de Belastingdienst de BelastingTelefoon. Je kind telt als medebewoner zodra het op hetzelfde adres staat ingeschreven, vanaf de eerste dag van de maand daarna (Dienst Toeslagen, medebewoner).
Sinds 1 januari 2026 zijn de regels voor de huurtoeslag veranderd: er is geen maximale huurgrens meer als voorwaarde, je krijgt vanaf 21 jaar de volledige huurtoeslag, meer jongeren onder de 21 komen in aanmerking en gemeenschappelijke servicekosten tellen niet meer mee (Nibud, 2026). De toeslag wordt in 2026 berekend tot een huur van € 932,93 voor wie 21 jaar of ouder is (Rijksoverheid, november 2025). Gaat je huurtoeslag omlaag door het inkomen van je kind, dan mag je dat verlies volgens het Nibud meenemen in de kostgeldberekening.
Kostgeld en zorgtoeslag of kindgebonden budget
Sinds 1 januari 2025 telt een kind, ook een stief-, pleeg- of adoptiekind, niet meer als toeslagpartner. Voor de zorgtoeslag, het kindgebonden budget en de kinderopvangtoeslag tellen daardoor alleen je eigen inkomen en vermogen. Voor de huurtoeslag blijft je kind wel medebewoner (Belastingdienst, toeslagpartner).
Kostgeld en bijstand: de kostendelersnorm
“Hoe meer personen van 27 jaar of ouder in uw huis wonen, hoe lager uw uitkering,” schrijft de Rijksoverheid. De norm per persoon daalt van 70% voor iemand alleen naar 50% met één huisgenoot van 27 of ouder, 43,33% met twee, 40% met drie en 38% met vier (Rijksoverheid, 2026). Jongeren tot 27 jaar tellen niet mee, net als studenten met recht op studiefinanciering of een tegemoetkoming studiekosten, BBL-leerlingen en een commerciële huurder of kostganger. Verder geldt de kostendelersnorm volgens het Nibud voor familieleden net zo goed als voor anderen, tenzij er sprake is van een strikt zakelijke relatie (2026). Het inkomen en vermogen van een huisgenoot tellen niet mee voor je recht op bijstand. Heb je bijstand of AOW, vraag dan bij de uitkeringsinstantie na wat inkomsten uit kostgeld voor je betekenen, zoals het Nibud aanraadt.
Kostgeld en AOW
Woon je ongehuwd en alleen met je eigen kinderen, dan krijg je een ongehuwdenpensioen (SVB, 2026). Volgens het Nibud krijgt een alleenstaande die kosten deelt met een huisgenoot wel het lagere gehuwdenpensioen, ook als het om een broer, zus of kleinkind gaat, maar niet bij een eigen kind. Lukt het niet meer om rond te komen, kijk dan welke regelingen bij een laag inkomen er zijn.
Is kostgeld verplicht? En wat als je kind weigert?
Een vast of standaard kostgeldbedrag bestaat niet; de wet regelt vooral de andere kant, de plicht van ouders om tot 21 jaar te voorzien in levensonderhoud en studie van hun kind (artikel 1:395a BW). Kinderen hoeven volgens artikel 1:392 BW hun ouders alleen te onderhouden als die ouders behoeftig zijn (Burgerlijk Wetboek Boek 1). Kostgeld is dus vooral een afspraak, en het Nibud vindt het redelijk dat een kind met een eigen inkomen “een bijdrage in de woonkosten betaalt” (Nibud, 2026).
Kind weigert kostgeld te betalen
Weigert je kind, begin dan bij de som in plaats van bij een bedrag. Laat zien wat het huishouden kost en welk deel je vraagt, met de manier van verdelen erbij. Een kostenoverzicht is lastiger om tegen in te gaan dan een bedrag dat uit de lucht lijkt te komen. Het Nibud geeft daarna vier afspraken mee (Nibud, Afspraken maken):
- Hoe er betaald wordt: “Wordt het maandelijks overmaken? Of contant betalen?” Een periodieke overboeking op de dag na de salarisbetaling voorkomt dat het kostgeld elke maand een gesprek wordt.
- Wat er gebeurt als de kosten stijgen.
- Een contract over het kostgeld, dat jullie allebei ondertekenen.
- Een evaluatie na een paar maanden.
Een betaling per overboeking heeft nog een voordeel: je ziet hem op je afschrift terug, en contant geld niet.
Kostgeld berekenen met je eigen afschrift
Je kunt een AI vragen om een kostgeldbedrag uit te rekenen, maar dan moet je eerst zelf vertellen wat jullie huishouden kost. Die bedragen staan op je afschrift: de hypotheek of huur, het termijnbedrag voor energie, de aanslag van de gemeente en de boodschappen van de afgelopen maanden. Martia is de AI waarmee je in het Nederlands over je eigen geld praat. Je koppelt je betaalrekening via Enable Banking; de koppeling kan alleen lezen en verplaatst nooit geld. Daarna vraag je bijvoorbeeld:
- “Wat betaalden we de afgelopen drie maanden gemiddeld per maand aan hypotheek, energie, water, internet en boodschappen?”
- “Hoeveel heeft Jan dit jaar naar onze rekening overgemaakt met kostgeld in de omschrijving?”
- En als je kind zelf Martia gebruikt, over zijn eigen rekening: “Wat houd ik per maand over na het kostgeld, mijn zorgverzekering en mijn abonnementen?”
Het antwoord komt uit je eigen transacties. Het bedrag zelf spreek je samen af: Martia rekent het kostgeld niet voor je vast, zet geen budgetten of limieten en stuurt geen herinneringen als het kostgeld binnen moet komen; je krijgt alleen een wekelijkse e-mail met observaties. Contant betaald kostgeld staat niet op je afschrift en ziet Martia dus ook niet, en hoe ver je transacties teruggaan, hangt af van je bank. Martia staat in de App Store en op Google Play en werkt ook in de browser, met hetzelfde account. Via de website kost het € 1 voor de eerste 7 dagen en daarna € 6 per maand, in de App Store € 9 per maand of € 59 per jaar. Hoe zo'n koppeling werkt en of het veilig is, lees je in wat is open banking en is het veilig.
Vraag Martia wat jullie huishouden kost, en wat er overblijft
Stel je vraag in het Nederlands, bijvoorbeeld “Wat kostten gas, stroom en water ons het afgelopen jaar per maand?”, “Hoeveel gaven we het afgelopen half jaar per maand uit aan boodschappen?” of “Hoeveel kostgeld is er dit jaar binnengekomen?” Je krijgt een antwoord op basis van je eigen transacties, zodat je de kostgeldsom met echte bedragen maakt in plaats van met een gemiddelde.
Meer over gezin en geld
- Huishoudboekje voor een gezin met kinderen: opvang, school, clubs en boodschappen op één plek.
- Zakgeld en kleedgeld per leeftijd: wat je een kind van 6 tot 18 geeft, en wat er verandert op 18.
- Vaste lasten: wat eronder valt en hoe je een overzicht maakt.
- Gemiddeld energieverbruik per huishouden: gas, stroom en water voor 1 tot 4 personen.
- Boodschappen per maand: het Nibud-minimum en wat huishoudens echt uitgeven.
- Hoeveel spaargeld mag je hebben?: de vermogensgrenzen voor toeslagen en bijstand in 2026.
Veelgestelde vragen
Hoe bereken je kostgeld?
Je berekent kostgeld in vijf stappen, volgens de methode van het Nibud (2026). Zet eerst de gedeelde kosten op een rij: huur of hypotheek en servicekosten, gas, water en elektriciteit, de heffingen van gemeente en waterschap, telefoon, tv en internet, boodschappen, waskosten en abonnementen. Reken alles om naar een bedrag per maand. Kies dan hoe je verdeelt: per persoon met je kind meegeteld, naar inkomen of naar gebruik. Tel de kleine posten erbij, zoals € 24 per maand voor een gemeubileerde kamer en € 3,01 voor de was. Kijk ten slotte wat je kind kan dragen en leg de afspraak schriftelijk vast. In het rekenvoorbeeld van het Nibud verdient het kind € 700 van € 2.800 netto per maand, 25%, en betaalt het van een netto hypotheek van € 500 dus € 125 aan wonen.
Wat is een normaal bedrag voor kostgeld?
Een normaal of gemiddeld bedrag voor kostgeld bestaat niet. Het Nibud schrijft: “Er is geen standaard kostgeldbedrag. Elke situatie is namelijk verschillend” (2026). Ook RaboResearch, dat in april 2025 publiceerde dat 40% van de thuiswonende 18- tot en met 30-jarigen kostgeld betaalt, vroeg niet naar de hoogte ervan. Een bedrag dat je online als gemiddelde ziet, is dus een schatting en geen meting. Wat redelijk is, reken je zelf uit: tel de gedeelde kosten van jullie huishouden per maand op en verdeel ze per persoon, naar inkomen of naar gebruik. In ons rekenvoorbeeld voor twee ouders en een zoon van 19 kwamen wonen, energie en water en boodschappen samen naar inkomen uit op € 341,46 per maand en per persoon op € 455,28 (eigen optelling, geen richtbedrag).
Is 200 euro kostgeld normaal?
Of € 200 kostgeld normaal is, hangt af van jullie kosten en van het inkomen van je kind; een standaardbedrag bestaat niet (Nibud, 2026). Leg € 200 naast je eigen berekening. In ons rekenvoorbeeld met de Nibud-methode, voor twee ouders en een kind van 19 dat 25% van het huishoudinkomen verdient, kwamen wonen, energie en water en boodschappen naar inkomen uit op € 341,46 per maand (eigen optelling, geen richtbedrag). Daar is € 200 aan de lage kant. Kijk ook naar wat je kind overhoudt. Een 18-jarige die 20 uur per week werkt tegen het minimumloon van € 7,50 per uur (vanaf 1 juli 2026), verdient zo'n € 650 bruto per maand, zonder vakantiegeld (eigen berekening). Dan is € 200 bijna een derde van dat brutoloon.
Hoeveel kostgeld vraag je aan een kind van 18?
Voor een kind van 18 bestaat geen vast kostgeldbedrag: het Nibud rekent met de kosten die je wilt doorberekenen en met de draagkracht van je kind (2026). Wat op je 18e verandert, is vooral het inkomen. Het wettelijk minimumloon is vanaf 1 juli 2026 € 7,50 bruto per uur voor een 18-jarige, € 8,99 voor 19 jaar en € 11,99 voor 20 jaar; vanaf 21 jaar is het € 14,99 (Rijksoverheid). Met 20 uur per week verdient een 18-jarige zo'n € 650 bruto per maand, zonder vakantiegeld (eigen berekening). Een thuiswonende hbo- of wo-student kan in 2026 maximaal € 130,21 basisbeurs per maand krijgen, in het mbo € 107,26 (DUO). Op zijn 18e sluit je kind ook een eigen zorgverzekering af. Tot je kind 21 is, ben je als ouder financieel verantwoordelijk voor levensonderhoud en studie (Rijksoverheid).
Hoeveel kostgeld volgens het Nibud bij 21 of 23 jaar?
Het Nibud geeft geen kostgeldbedrag per leeftijd: er is volgens het Nibud geen standaard kostgeldbedrag, ook niet voor 21 of 23 jaar (2026). Wel veranderen rond die leeftijden de regels. Op 21 jaar eindigt de onderhoudsplicht: tot dan zijn ouders financieel verantwoordelijk voor levensonderhoud en studie (Rijksoverheid; artikel 1:395a BW), en vanaf 21 jaar geldt het volledige minimumloon van € 14,99 bruto per uur (vanaf 1 juli 2026). Rond 23 jaar verandert de huurtoeslag van de ouders: van het inkomen van een thuiswonend kind jonger dan 23 telt in 2026 € 6.218 niet mee. Die vrijstelling geldt nog in het jaar waarin je kind 23 wordt en vervalt op 1 januari daarna; vanaf dan telt het hele inkomen mee (Belastingdienst, 2026). Reken het kostgeld daarom opnieuw uit als je kind 21 of 23 wordt.
Wat is een redelijke bijdrage voor kost en inwoning?
Een redelijke bijdrage voor kost en inwoning dekt een deel van de gedeelde kosten van het huishouden, niet de persoonlijke uitgaven van je kind. Het Nibud vindt het redelijk om kostgeld te vragen als je kind of iemand anders met een eigen inkomen bij je woont (2026). Kleding, studie en uitgaan betaalt de kostganger zelf. Voor wonen mag je een bedrag doorberekenen, ook al worden de huur of hypotheek meestal niet hoger. Voor kleine posten noemt het Nibud vaste bedragen: € 24 per maand voor een gemeubileerde kamer, € 3,01 voor de was, € 5,85 voor schoonmaakartikelen en € 11,50 tot € 15,50 voor persoonlijke verzorging, als je kind die niet zelf koopt. Verdeel je alles half om half, dan kan dat volgens het Nibud een groot deel van het inkomen van een jongere kosten.
Moet ik kostgeld van mijn kind opgeven bij de Belastingdienst?
Voor kostgeld van je eigen kind meestal niet. Is de kostganger een familielid, dan gaat de Belastingdienst er volgens het Nibud meestal niet van uit dat je 'winst' maakt op het kostgeld (Nibud, 2026); bij twijfel verwijst het Nibud naar de BelastingTelefoon. Anders ligt het bij kostgangers die een kamer bij je huren en betalen voor bijvoorbeeld maaltijden of schoonmaken. Dan vermeld je volgens de Belastingdienst het totale bedrag dat je van hen ontvangt, inclusief de huur, en mag je de kosten aftrekken. Alleen voor de kamerhuur kan de kamerverhuurvrijstelling gelden, in 2026 tot € 6.633 per jaar, als je aan de voorwaarden voldoet; de vergoeding voor maaltijden of schoonmaken geef je altijd aan (Belastingdienst, 2026). Let daarnaast op je toeslagen: het inkomen van je thuiswonende kind telt mee voor de huurtoeslag.
Heeft het inkomen van mijn thuiswonende kind gevolgen voor mijn huurtoeslag?
Ja. Het inkomen van een kind dat thuis woont, telt mee voor de huurtoeslag (Dienst Toeslagen, 2026). Is je kind jonger dan 23, dan telt een deel niet mee: in 2026 is die vrijstelling € 6.218. Verdient je kind € 12.000 per jaar, dan telt € 5.782 mee. Het gaat om het toetsingsinkomen van je kind, niet om het netto-inkomen, en studiefinanciering telt niet mee. Geef altijd het hele jaarinkomen van je kind door, ook als het lager is dan € 6.218; de vrijstelling wordt dan automatisch toegepast, behalve bij een stiefkind of pleegkind. Een lagere huurtoeslag is volgens het Nibud inkomen dat je verliest, en dat verlies mag je meenemen in de kostgeldberekening. Voor de zorgtoeslag, het kindgebonden budget en de kinderopvangtoeslag tellen sinds 2025 alleen je eigen inkomen en vermogen.
Is kostgeld verplicht?
Een vast of standaard kostgeldbedrag bestaat niet; het Nibud raadt aan het bedrag samen vast te stellen (2026). De wet regelt vooral de plicht van ouders: tot je kind 21 is, ben je financieel verantwoordelijk voor zijn levensonderhoud en studie (Rijksoverheid; artikel 1:395a BW). Kinderen hoeven hun ouders volgens artikel 1:392 BW alleen te onderhouden als die ouders behoeftig zijn. Het Nibud vindt het wel redelijk dat een kind met een eigen inkomen bijdraagt aan de woonkosten. Weigert je kind, laat dan de berekening zien en maak afspraken: hoe en wanneer er betaald wordt, wat er gebeurt als de kosten stijgen, en zet dat in een contract dat jullie allebei ondertekenen. Het Nibud raadt aan om na een paar maanden te evalueren.
Wat valt er onder kostgeld?
Onder kostgeld vallen de gedeelde kosten van het huishouden. Het Nibud noemt zeven posten om te bespreken: huur, hypotheek en servicekosten; gas, water en elektriciteit; heffingen van gemeente en waterschap; telefoon, tv en internet; boodschappen; waskosten; en abonnementen (2026). Persoonlijke uitgaven, zoals kleding, studie en uitgaan, betaalt je kind zelf. Een krant, een tijdschrift of de contributie van een sportclub reken je niet door, tenzij het abonnement speciaal voor je kind is afgesloten. Vaste telefoon, tv en internet worden met een kostganger meestal niet duurder; een hogere premie voor bijvoorbeeld de inboedelverzekering mag wel meetellen. Ook extra huishoudelijk werk voor je kind mag je rekenen, tegen minimaal het minimumuurloon (Nibud, 2026).
Bronnen
- Nibud (2026). Kostgeld (gewijzigd 22 september 2026). nibud.nl
- Nibud (2026). Kostgeld: wat is redelijk? (PDF met rekenschema, 2026). PDF
- Nibud (2026). Huishoudelijke uitgaven, voedingsbedragen juli 2026, en Kosten van energie en water (gas en stroom per juni 2026, water januari 2026). voeding, energie en water
- Nibud Scholieren. Bijna 18? Regel het nu. scholieren.nibud.nl
- RaboResearch (2025). Kostgeld betalen niet ongewoon onder thuiswonende jongvolwassenen (18 april 2025; vragenlijst november 2023 tot januari 2024). rabobank.nl, gearchiveerde kopie
- Dienst Toeslagen (Belastingdienst) (2026). Mijn kind woont thuis en verdient geld. Heeft dat gevolgen voor mijn huurtoeslag?, Wanneer is iemand mijn medebewoner voor de huurtoeslag? en Uw kind of ouder telt sinds 2025 niet meer als toeslagpartner. thuiswonende kinderen, medebewoner, toeslagpartner
- Belastingdienst (2026). Kostgangers, Ik heb een koopwoning en verhuur een kamer: heb ik recht op de kamerverhuurvrijstelling? en Hoeveel mag ik mijn kind belastingvrij schenken? kostgangers, kamerverhuurvrijstelling, schenken
- Rijksoverheid (2026). Wanneer heb ik een onderhoudsplicht?, Wat is de kostendelersnorm in de bijstand? en Bedragen minimumloon 2026; nieuwsbericht Meer mensen in aanmerking huurtoeslag (24 november 2025). onderhoudsplicht, kostendelersnorm, minimumloon, huurtoeslag 2026
- Burgerlijk Wetboek Boek 1, artikelen 1:392 en 1:395a, geldend vanaf 5 juli 2025. wetten.overheid.nl
- SVB (2026). Welke AOW bij uw situatie. svb.nl
- DUO (2026). Bedragen studiefinanciering (bijgewerkt 10 september 2026). duo.nl
- Gemeenten Utrecht, Rotterdam en Eindhoven (2025). Verordeningen afvalstoffenheffing 2026. Utrecht, Rotterdam, Eindhoven